|
Down
deed veel voor gehandicapten!
Zoals Albert Heijn eerder
wordt geassocieerd met
de winkel dan met de persoon, zo denken we bij Alzheimer eerder
aan de aandoening dan aan de naamgever ervan. Maar ooit waren
de namen Alzheimer, Parkinson, Duchenne, Down, Creutzfeldt/Jakob, Gilles de la Tourette,
Korsakov en Crohn heel gewone achternamen. John Langdon Down Symbool voor het Syndroom van Down bij het grote
publiek staat wellicht een televisieoptreden van de Josti-band.
Het lijkt een echo uit het verre verleden: ook binnen Earlswood
en Normansfield, de twee instellingen voor verstandelijk gehandicapten
waaraan John Langdon Down bijna veertig jaar van zijn leven
weidde, ging geen feestelijke gebeurtenis voorbij zonder een
optreden van het huisorkest. Klein verschil: dit orkest bestond
voornamelijk uit personeelsleden en niet uit bewoners van de
instellingen. De
toewijding van John Down aan verstandelijk gehandicapten vond, volgens
eigen zeggen, haar oorsprong tijdens een gebeurtenis in 1846. De
dan 18-jarige Down ontmoet, schuilend tijdens een verregende
picknick, een verstandelijk gehandicapt meisje. ,,De vraag bleef
mij najagen: kon er niets voor haar gedaan worden?'', schrijft
hij later over deze ontmoeting. John Down werkt dan al enkele jaren als hulpje
in de kruidenierszaak annex drogisterij van zijn vader in Torpoint,
een dorpje in Cornwall. Down besluit zich op de wetenschap te
richten en begint met een studie bij de Pharmaceutical Society
in Londen. Met
zijn diploma
op zak keert hij twee jaar later terug naar de familiezaak.
Hij ontwikkelt voor de zaak enkele nieuw recepten, onder meer tegen
diarree, hoesten en koorts. Na de dood van zijn vader in 1853
start John Down, die in 1868 Langdon, de familienaam van zijn
moeder, aan zijn naam zal toevoegen, met een studie geneeskunde
aan de London Hospital Medical School. Hij is een briljant student
en in 1858, direct na zijn afstuderen, wordt hij medisch directeur
van het Royal Earlswood Asylum for Idiotsin Surrey. Earlswood was het geesteskind van de bevlogen dominee
Andrew Reed, die zich het lot aantrok van de verstandelijk gehandicapten,
of 'idioten en imbecielen', zoals de toen gebruikelijke term
was. John Down, hanteerde bij voorkeur de term feeble minded,
letterlijk vertaald 'zwakken van geest'. Verstandelijk gehandicapten
werden in die tijd beschouwd als hopeloze gevallen die niets
konden leren. Zij kwijnden, zo veel mogelijk verborgen gehouden
voor de buitenwereld, langzaam weg. In Earlswood wil Reed hun de mogelijkheid tot een
menswaardiger bestaan geven. In 1855 opent Earlswood haar poorten,
maar al snel blijkt de praktijk weerbarstiger dan verwacht.
Het instituut heeft kampen met slechte hygienische omstandigheden
en de verzorging van de bewoners laat het nodige te wensen over.
Bij
zijn aantreden
als medisch directeur neemt John Down de reorganisatie van Earlswood
ferm ter hand en binnen enkele jaren weet hij, vanaf 1860 ter
zijde gestaan door zijn vrouw Mary, Earlswood te veranderen in een
goed draaiend instituut. De, voornamelijk jonge, bewoners worden niet
alleen lichamelijk goed verzorgd, zij leren ook lezen, eenvoudig
rekenen en, indien mogelijk, handvaardigheden zoals houtbewerken,
manden, matten of schoenen maken en huishoudelijk werk uitvoeren.
Opvoedkundig is Down zijn tijd ver vooruit: gehoorzaamheid moet
worden bereikt door belonen van goed gedrag en niet door straffen
van fout gedrag, stelt hij. Naast medisch directeur blijft Down wetenschapper.
Hij onderzoekt en documenteert de bewoners van Earlswood uitvoerig
en maakt vele foto's van hen. In 1862 publiceert hij in The
Lancet een artikel over de typerende vorm van de mond en tong
van een aantal bewoners. Dit blijkt de opmaat voor zijn artikel
Observations on an ethnic classification of idiots uit 1866.
Uitgaande van de dan populaire
indeling van menselijke rassen, merkt hij op dat ,,meer dan
tien procent van de bewoners, hoewel geboren uit ouders van
het Kaukasische ras, sterke overeenkomst vertoont met het Mongoolse
ras''. Als mogelijke oorzaak voor deze 'degeneratie' oppert
Down besmetting van de moeder met tuberculose. Later zit hij
dichter in de buurt als hij stelt dat een groot verschil in
leeftijd tussen vader en moeder mogelijk de oorzaak van de aandoening
is. In
1868 verlaat
John Down Earlswood na onenigheid met de raad van toezicht die
niet goedkeurt dat zijn vrouw Mary werkt in het instituut. Hij sticht
Normansfield, waar hij tot zijn dood in 1896 werkzaam blijft. Down
is inmiddels een in binnen- en buitenland beroemd medicus en
zijn overlijden wordt dan ook in vooraanstaande medisch bladen
als The Lancet en het British Medical Journal herdacht.
Een
aandoening
is dan echter nog niet naar hem vernoemd, men spreekt in navolging
van Down over 'Mongolisme'. Deze aanduiding wordt in de tweede
helft van de twintigste eeuw steeds meer als beledigend ervaren.
Tijdens een internationaal symposium in 1967, voorgezeten door
Lord Russel Brain, de echtgenoot van de kleindochter van John
Down, wordt de officiele benaming Downsyndroom aangenomen. Jerome
Lejeune, de ontdekker van de genetisch achtergrond van het syndroom,
vist hiermee achter het net.
|
|